Deel dit artikel:
Goed kijken, slecht zien: waarom het Regioplan-rapport over risicotaxatie bij fataal geweld aansluit bij de Nederlandse behoefte en daarom zwaar tekortschiet.
Nederland worstelt met de aanpak van dwingende controle, de meest voorkomende vorm van huiselijk geweld die leidt tot femicide. De roep om meer instrumenten, samenwerking en ‘regie’ klinkt luid en een rapport zoals van Regioplan (‘Goed kijken en echt zien’) sluit naadloos aan bij het onterecht grote vertrouwen in ongefundeerde instrumenten en meer verbinding. Waar zo’n rapport zou moeten bijdragen aan meer diepgang en effectiviteit in de aanpak van risico’s, is het in werkelijkheid oppervlakkig, geregeld onjuist en zwaar gesimplificeerd.
Met potentieel desastreuze gevolgen voor beleid én praktijk. De highlights worden hier geschetst. Niet om de onderzoekers neer te sabelen, maar in een poging te laten zien waar het heel veel mis gaat in Nederland. Want we willen immers begrijpen hoe wij aan zo’n hoog femicide-cijfer komen. En vooral: hoe we er weer vanaf komen.
1. Symptoombestrijding in plaats van probleembegrip.
De centrale insteek van het rapport is duidelijk: een instrumentenoverzicht maken. Daarmee speelt het rapport in op de Nederlandse behoefte aan ‘lijstjes’: overzichtelijkheid, afvinkcultuur, beheersbaarheid. Maar die behoefte is een belangrijke reden waarom er elke acht dagen een vrouw overlijdt aan femicide in ons land: we hebben te weinig geïnvesteerd in het ambacht dat huiselijk geweld van onze professionals vraagt.
De focus op de instrumenten is namelijk precies waar het vaak misgaat: want plegers van huiselijk geweld zijn doorgaans niet open en eerlijk over hun desastreuze gedrag achter de voordeur. Maar wel ontzettend charmant en vriendelijk naar professionals, zeker plegers van dwingende controle. Sterker nog: zij vertellen professionals doorgaans dat zíj́ het ongeziene slachtoffer zijn. Natuurlijk willen zij wel de vragen beantwoorden van dat lijstje…
Er is geen instrument op de wereld dat professionals het verschil helder zal maken tussen de antwoorden/gedragingen van een echt slachtoffer en de antwoorden/gedragingen van een pleger die zich voordoet als slachtoffer…
Het rapport biedt geen uitspraak of visie op juist deze dynamiek. En juist dáár gaat het mis met femicide: de pleger lijkt vriendelijk, charmant, niet in staat tot leugens, niet in staat tot moord…Maar is in staat tot dat alles. En juist dàt moeten we leren herkennen in onze spreekkamers.
Door de enorme focus op instrumenten, versterkt het rapport daarmee juist de problemen die het zegt te willen oplossen.
2. Wetenschappelijke onderbouwing? Ontbreekt grotendeels
De literatuurstudie (bijlage 1) is gebrekkig verricht. De gezochte literatuur is te onwetenschappelijk verkregen en daardoor raakt het gehele rapport gebiased.
Er is überhaupt geen wetenschappelijke verwijzing naar de dwingende controle en femicide-sleutelonderzoekers zoals Jane Monckton-Smith, wiens fasenmodel over femicide wereldwijd leidend is. De onderzoekers gebruikten haar boek en ontleenden daar de denkfouten uit die ze vermelden in dit rapport.
Evan Stark, overleden grondlegger van het begrip dwingende controle waar nog belangrijke recente artikelen van te lezen zijn: ontbreekt volledig. Ook Stark verwees al naar femicide als gevolg van dwingende controle. En hij plaatst dat in een kader van vrijheidsbeneming: de kern van dwingende controle èn femicide. Dit rapport heeft geen enkele verwijzing naar deze kernliteratuur.
3. Onjuiste interpretaties van bestaande modellen
Een voorbeeld: de beschrijving van Monckton-Smith’s femicidemodel. De onderzoekers vermelden dat haar model bestaat uit acht opeenvolgende fasen, maar benadrukken dat er het in de werkelijkheid niet zo opeenvolgend aan toe gaat. Maar de onderzoekers lijken de bron niet te hebben gelezen. Monckton-Smith benadrukt zèlf dat de fasen van haar model niet lineair verlopen. Ook benadrukt ze dat het niet om de fasen an sich gaat. Ze benoemt nadrùkkelijk: om femicide te begrijpen en voorkomen, moeten we dwingende controle in àlle fasen goed begrijpen. Want dàt is de achterliggende problematiek en als we die niet begrijpen door alle fasen heen, dan kunnen we femicide niet tegengaan.
De onderzoeker stellen echter in dit rapport dat we ons niet moeten blindstaren: femicide kent meer aanleidingen dan alleen dwingende controle. Dat kan niet onjuist zijn: vrouwen worden om diverse redenen vermoord. Maar netjes is dan wèl de cijfers te vermelden waaruit blijkt dat dwingende controle het absolute over- overgrote deel van femicides betreft. Maar het blijft onbenoemd. En Nederland wordt daarmee op achterstand gezet in een besef dat nèt begint te groeien…
4. Zelf categorieën bedenken en dan scores toekennen: pseudo-wetenschap.
De onderzoekers hebben bestaande kleuren gegeven om duidelijk te maken welke items ze missen in de instrumenten. Er is geen wetenschappelijk gevalideerde lijst aan te pas gekomen om die itemkeuzes te maken. Dat dit een methodologisch ondeugdelijke manier van keuzes maken is, is geen drama.
Maar een vreemde prioritering is wel dat het eigen gemaakte kleurenoverzicht belangrijker wordt gevonden, dan een overzicht te geven welke van de vernoemde instrumenten deugdelijk zijn onderzocht op validiteit en betrouwbaarheid. Met andere woorden: welke instrument doet eigen wat het moet doen…
Wat hebben we aan een overzicht van items die gemist worden aan een instrument, als we niet eens weten of dat instrument meet wat het moet meten?
Sterker nog, er wordt aangeraden deze instrumenten simpelweg aan te vullen met items…Alsof een aanvulling sowieso van meerwaarde zou zijn: dat klinkt aannemelijk, maar het is niet waar.
Het analysekader (bijlage 2) bevat door de onderzoekers zelfgekozen risicofactoren, waaraan ja/nee aanwezig scoresysteem wordt gegeven. Weer de zelf gekozen categorieën, zonder afkapscores.
Maar belangrijker nog: nagenoeg alles wat wordt genoemd van deze afvinklijst in bijlage 2 ìs simpelweg dwingende controle…waarmee de onderzoeker exàct in de kaart spelen waarvoor zij aan het begin van het rapport waarschuwden om juist niet te doen: afvinken in plaats van het patroon te overzien…
Tussendoor wordt de MASIC (Mediator’s Assessment of Safety Issues and Concerns) genoemd als toetsingsinstrument. De MASIC heeft geen wetenschappelijke validatie, maar hier wordt ook onduidelijk welke variant is gebruikt. Aan de NL-variant zijn namelijk in de loop van tijd diverse vragen toegevoegd naar eigen inzicht. We weten niet naar welke versie verwezen wordt. De onderzoekers lijken het bestaan van de varianten niet te kennen.
6. Geen cijfers, geen proportie, geen urgentie
Het rapport benadrukt herhaaldelijk dat femicide niet altijd vooraf wordt gegaan door dwingende controle – maar onderbouwt dat nergens met cijfers. Terwijl internationale studies aantonen dat dwingende controle juíst in een overgrote meerderheid van femicide-casussen wél aanwezig is. Dat besef begon net een beetje door te dringen in de maatschappij…
Ook wordt dwingende controle uitgesloten als factor in eergerelateerd geweld, gebaseerd op slechts één bron. Dat is wetenschappelijk onhoudbaar. Die discussie kunnen we niet sluiten op basis van één Nederlands rapport.
7. Samenwerken als toverwoord – zonder kritische reflectie
Herhaaldelijk pleit het rapport voor meer samenwerking. Maar nergens wordt besproken dat samenwerking niet automatisch leidt tot betere uitkomsten. Sterker nog: het kent grote, belangrijke valkuilen zoals: verschuiven van verantwoordelijkheden naar elkaar en gezamenlijke tunnelvisie.
Er wordt ook geen oplossing geboden voor het feit dat delen van informatie belangrijke juridische en beroepsethische grenzen kent (AVG, beroepsgeheim). Grenzen die belangrijke bescherming bieden aan slachtoffers.
Door herhaaldelijk te adviseren om meer te overleggen omdat dat zou leiden tot betere risico-inschatting, prioriteert het rapport nauwelijks de noodzaak van deskundigheid. Het volgt vooral de maatschappelijke (aantoonbaar onjuiste) voorkeur om te gokken dat meer samenwerking tot betere resultaten leidt.
8. Geen kwalitatief onderzoek, weergave van gesprekken
Wat als onderzoek gepresenteerd wordt, zijn samenvattingen van meningen uit sessies. Er is geen thematische analyse. Het rapport herhaalt vooral de meningen van geïnterviewden, zonder kritische reflectie op die meningen. Zonder aan te geven hoe vaak bepaalde meningen voorkwamen.
Dat is geen deugdelijk kwalitatief onderzoek. En dat hoeft ook niet.
Maar noem het dan een rapport van verslaglegging van gesprekken, geen onderzoek.
9. Aanbevelingen gebaseerd op aannames
Instrumenten uitbreiden op basis van zelfgekozen risicofactoren, zonder visie op professionalisering? Aanbevelen om niet-gevalideerde tools structureel te gebruiken? Geloven dat het ‘aanstellen van een regisseur’ oplossingen brengt? Alles in het rapport ademt beleidswensdenken zonder empirische fundering.
Conclusie: goed kijken is niet hetzelfde als écht zien
Dit rapport lijkt aan de oppervlakte te helpen bij het voorkómen van fataal geweld en speelt handig in op de enorme druk vanuit professionals om meer lijstjes en samenwerkingsbeleid te maken, maar in werkelijkheid draagt het bij aan:
– Het wederom onderschatten van een groot maatschappelijk geweldsprobleem: dwingende controle
– Instrumenteel denken zonder onderbouwing
– Bevestiging van bestaande systeemfouten in plaats van doorbreking ervan
Het is tijd dat we stoppen met zoveel vertrouwen op lijstjes en samenwerking. Wat we nodig hebben is: visie, kennis, deskundigheid en een stevige wetenschappelijke onderbouwing van beleid en praktijk. Alleen dan maken we werkelijk verschil in de levens van volwassenen, kinderen en gezinnen.
Huiselijk geweld signaleren, en zeker dwingende controle, is namelijk ambacht. Dáár moet het gesprek over gaan. Hoe leren we onze professionals om de individuele verantwoordelijkheid te dragen van de meldcode en het afwegingskader. Zoals deugdelijke kennis van dwingende controle, professionele achterdocht, het kunnen verdragen van meerdere mogelijkheden, uitstellen van conclusies tot er zekerheid is, het tegengaan van veelvoorkomende denkfouten en elkaar kritisch kunnen bevragen. Om maar eens wat vaardigheden te noemen…
En ja…dat kost bijscholing, professionele deskundigheidsbevordering. Daar zijn we het allemaal over eens, gelukkig. Laten we dat dan ook deugdelijk aanpakken: methodisch wetenschappelijk gefundeerd werken, daar weten we van dat het wèrkt.